Vanmorgen het bericht in de krant dat Nel Benschop is overleden. Een dichteres van wie ik nog veel boekjes heb, uit de tijd van de interkerkelijke jongerenvereniging 18+ en het jongerenkoor The Griffin Singers. Bij de opening van een bijeenkomst of repetitie wordt een stukje uit de bijbel gelezen, of bijvoorbeeld een gedicht voorgelezen. Niet zelden is in dat laatste geval een bundel van Benschop gepakt.
De serieuze literaire kritiek heeft nooit veel op gehad met het oeuvre van Benschop. In het begin heeft haar dat gestoken. Maar langzamerhand wordt ze ouder en wijzer. Het genre ligt kennelijk niet zo goed bij sommige mensen en sommige critici, berust ze. ,,Dat is hun smaak, daar maak ik me verder niet druk om.” Geen dichter is zo veel verkocht en zo veel geciteerd. Haar debuut uit 1967 (Gouddraad uit vlas) is een bestseller; in totaal zijn er van haar bundels meer dan drie miljoen exemplaren over de toonbank gegaan. Eenvoud en geloof zijn de kenmerken van Benschop. Henritte Roland Holst en Gabril Smit, zijn de namen in de Nederlandse pozie waarna ze verwijst. Net als Benschop dichters die het publiek direct aanspreken. Vanavond toch weer eens een bundel van haar van de plank pakken en doorbladeren.
In de St. Janskerk hangt de eindstrofe van een gedicht van Nel Benschop dat ze heeft geschreven voor de oplevering van de restautatie van dat monumentale godshuis, in oktober 1980.
Gouda’ Sint Jan: begrip voor alle tijden,
die eeuwen schoonheid op haar pijlers torst;
verwoest, gerestaureerd; in vreugde en lijden
de plaats, waar God te drinken geeft, wie dorst.
Moge het lied van lof haar ruimten vullen,
en moge deze kerk het kruispunt zijn
waar God en mens elkaar ontmoeten zullen,
kerk van Sint Jan – vr alles Gods domein!
