Een paar dagen Mull betekent voor mij een mooie lange rit (‘rondje’) over het eiland. Bekende plekken opnieuw bekijken en genieten van het nieuwe uitzicht, omdat de lucht en het licht weer anders zijn dan vorig jaar en zeker dan afgelopen winter. Waarom ik hier toen ben geweest? Wel, deels om dezelfde reden als elk jaar: fish and chips bij de beste kraam van Mull, die op de pier in de hoofdplaats Tobermory. Een vroeg diner (om iets na drie uur), dus vanavond om de maag nog even bij te tanken heerlijk bread and butter pudding (niet een Schots, maar wel een Brits, niet te versmaden nagerecht) gegeten in de Craignure Inn, mijn thuisbasis dezer dagen. Het broodgerecht (gegrild, of uit de oven?) zo te zien lagen brood, met wat suiker. Qua structuur lijkt het ook iets op appelgebak. Hoe dan ook, het heeft me zondagavond goed gesmaakt, dus vanavond in de herhaling. En ach, ik moet toch in de pub zijn, dus…
Een van de redenen om terug te keren naar Mull, is ook de oversteek naar Iona, het eiland waarvan het verhaal gaat dat van hieruit St. Columba (uit Ierland overgestoken monnik) de kerstening van (Noord-)Europa is begonnen, in de tweede helft van de zesde eeuw. Hoe dan ook, Iona is een spiritueel eiland van rust; een beetje Taiz (Frankrijk), maar dan minder vol en zeker minder opdringerig gelovig. Ik kom er terug om weer in de abbey te zijn, door de gangen te lopen en te genieten van het uitzicht.

Het weer werkt mee. De zon schijnt volop en door de wind verkleur ik aardig in mijn gezicht. Da’s ook de enige plek. Het is met die wind te fris om het fleece-vest uit te doen. En een paar uur later, als ik op de camping de borrel heb ingeschonken, begint het te regenen. Gelukkig, na dik een uur klaart het op; de zon keert terug. Tijd om naar de Craignure Inn te gaan. Geen plekje aan het raam aldaar, maar een pint Belhaven Best vergoedt veel. O ja, en voor de derde keer deze week bread & butterpuddng gegeten!

Met de boot van Craignure naar Oban ben je eerder in Edinburgh (mijn volgende en laatste overnachtingplaats), maar toch verkies ik de route via Lochaline Ardgour Corran (twee ferry’s), omdat je dan de mooie route van Lochaline richting Strontian hebt en op het ‘echte’ vasteland de route door Glencoe/Rannoch Moor. Beide onderdelen van de reisroute wedijveren om mijn gunst. Ze eindigen onbeslist. Ze zijn allebei overweldigend. Het glooiende, groene van het eerste deel van de reis en het woeste van het hoogveen. Nou, misschien wint Rannoch Moor het dan toch. Dat gebied heb ik meer dan eens lopend doorkruist. Deels over de Corrour estate, van Loch Ossian naar Rannoch station. Een wandeling van ruim vijf uur door gebied waar geen paden zijn, dus kaart en kompas mee. En dan via mijn favoriete rustpunt: Peters Rock, waar de inscriptie staat die al jaren als deel van de ondertekening van mijn priv e-mails staat:
I have a friend, a song and a glass
gaily along lifes road I pass
joyus and free out of doors for me
over the hills in the morning.*
Zelfs als ik op de Trunkroad A82 van Glencoe naar Bridge of Orchie rijd en ik zie het bord van de summit van Rannoch Moor, schieten die regels me altijd te binnen. Ze geven mijn plezier in Scotland, mijn terugverlangen naar dit land, weer als geen enkel ander vers, boek, dia, film of foto, of wat dan ook. Je moet hier geweest zijn om het ultieme Scotlandgevoel te hebben opgedaan. En dan heb ik het nog niet eens over de Trossachs, het gebied van Glencoe richting Perth. Samen met het gebied van Loch Lomond vormt dit een nationaal park. Als je hier doorheen rijdt, snap je waarom. Las trouwens deze week dat de Loch Lomond song (,,Youll take the high road…) helemaal niet zon vrolijk kampvuurlied is als ik altijd heb gedacht. Het gaat figuurlijk – over de ter dood veroordeelde en de verrader van Schotland die uit genade wordt vrijgelaten en de gemakkelijke of high road vanuit Engeland naar Schotland mag terugkeren. De ter dood veroordeelde volgt de moeilijke (low road) naar zijn Schotland. Hij doet daarmee meer goed voor Scotland. Nou ja, weer wat geleerd.
Nog n dag Edinburgh. Niet om de camping, want op deze regenachtige dag is een modderpoel. daar kan de campingeigenaar weinig aan doen. Maar van volgens mij, de duurste camping van Scotland, mag wel iets meer worden verwacht dan een miezerig straaltje van de douche en apart betalen voor Wi-Fi. Herinner je het verhaal over mijn verblijf in Glen Affric nog? Nog niet de helft van de prijs van hier, gratis internet en ook nog betere grond. En zonder het geluid van de vele auto’s die voobijrazen op de nabijgelegen City Bypass A720 ( de ‘ruit’ van Edinburgh). Gelukkig is er Edinburgh zelf nog. Het blijft een heerlijke stad, vol geschiedenis, architectuur, leuke winkels, musea, pubs. Gelukkig ben ik hier nu het festivalseizoen is afgelopen. Iets minder druk, voor zover dat mogelijk is de hoofdstad van Scotland. En de zon schijnt (voorlopig!).
Overal in het centrum straten opgebroken; de voorbereidingen voor de aanleg van de tramlijn, die Leith, het vliegveld en het centrum met elkaar verbindt van 2011 af.
Dit keer ook naar de National Gallery, nabij de kruising van Princes Street en de The Mound, waar zich schilderijen bevinden die in bruikleen zijn van de Duke of Sutherland wil ze te gelde maken, om het familiekapitaal aan te zuiveren. Vooral twee werken, van Titan, zijn de afgelopen maand veel in het nieuws geweest. Het zijn de topstukken van het museum. er wordt zelf gezegd dat als deze twee stukken hier zouden verdwijnen de gallery verwordt toto een dertien-in-een-dozijn museum, dat je kunt missen. De duke is gelukkig de beroerdste niet. Geschat wordt dat de twee topstukken een veilingwaarde halen van 300 miljoen pond. De gallery mag ze hebben voor een derde van dat bedrag. Als voor het einde van het jaar de 50 miljoen voor het eerste schilderij op tafel wordt gelegd, ziet de duke (voorlopig) af van de veiling. Aardig toch h?
Nog wat laatste inkopen, de laatste getapte pint op Schotse bodem (voor R, K en K: uiteraard in The Last Drop). Nog n keer koffie bij Starbucks in Princes Street (met uitzicht op het kasteel) en dan, op vrijdag, de stad uit, de A! richting o gruwel Engeland/Newcastle. Dat gruwel slaat alleen op Engeland hoor. Niet dat ik er een hekel aan heb om huiswaarts te keren. Na een maand ben ik behoorlijk uitgerust, heb nieuwe energie opgedaan en wil weer schrijven. Ik kan haast niet wachten tot ik mijn eerste artikel af heb. Bovendien, voor je het weet is het januari, tijd voor een short break in Scotland. Maar eerst nog de afsluiting van alweer een schitterend bezoek aan Scotland: de overtocht naar huis. Het heerlijke visbuffet dat vergezeld gaat van een mooie Chablis. Nou, de foto van hoe mijn etenstafel er vrijdagavond uitzag, hoef ik niet meer te plaatsen toch?
* Zie eerder verhaal over dit vers, via het zoekmenu van deze weblog, met trefwoorden Peter Trowell

Mooie foto’s, ik krijg steeds meer zin in volgend jaar