Oudejaarspsalm

Ook dit jaar op Oudejaarsdag de Oudejaarspsalm. Dit keer in het Engelse en wel uit de New International Version, de bijbelversie die in mijn kerk wordt gebruikt. Daaronder, dat scheelt zoeken in mijn weblogarchief, in het Nederlands, eerst de Statenvertaling, dan de Nieuwe Bijbelvertaling.

Psalm 90

A prayer of Moses the man of God
1 Lord, you have been our dwelling place throughout all generations(BR>2 Before the mountains were born or you brought forth the earth and the world, from everlasting to everlasting you are God.
3 You turn men back to dust, saying, “Return to dust, O sons of men.”
4 For a thousand years in your sight are like a day that has just gone by, or like a watch in the night.
5 You sweep men away in the sleep of death; they are like the new grass of the morning-
6 though in the morning it springs up new, by evening it is dry and withered.
7 We are consumed by your anger and terrified by your indignation.
8 You have set our iniquities before you, our secret sins in the light of your presence.
9 All our days pass away under your wrath; we finish our years with a moan.
10 The length of our days is seventy years or eighty, if we have the strength; yet their span is but trouble and sorrow, for they quickly pass, and we fly away.
11 Who knows the power of your anger? For your wrath is as great as the fear that is due you.
12 Teach us to number our days aright, that we may gain a heart of wisdom.
13 Relent, O LORD! How long will it be? Have compassion on your servants.
14 Satisfy us in the morning with your unfailing love, that we may sing for joy and be glad all our days.
15 Make us glad for as many days as you have afflicted us, for as many years as we have seen trouble.
16 May your deeds be shown to your servants, your splendor to their children.
17 May the favor of the Lord our God rest upon us; establish the work of our hands for us
yes, establish the work of our hands.

1 Een gebed van Mozes, den man Gods. HEERE! Gij zijt ons geweest een Toevlucht van geslacht tot geslacht.
Eer de bergen geboren waren, en Gij de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God.
3 Gij doet den mens wederkeren tot verbrijzeling, en zegt: Keert weder, gij mensenkinderen!
4 Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en [als] eennachtwaak.
5 Gij overstroomt hen; zij zijn [gelijk] een slaap; in den morgenstond zijn zij gelijk het gras, [dat] verandert;
6 In den morgenstond bloeit het, en het verandert; des avonds wordt het afgesneden, en het verdort.
7 Want wij vergaan door Uw toorn; en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt.
8 Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke [zonden] in het licht Uws aanschijns.
9 Want al onze dagen gaan henen door Uw verbolgenheid; wij brengen onze jaren door als een gedachte.
10 Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of, zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen.
11 Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt?
12 Leer [ons] alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.
13 Keer weder, HEERE! tot hoe lange? en het berouwe U over Uw knechten.
14 Verzadig ons in den morgenstond met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen.
15 Verblijd ons naar de dagen, [in] [dewelke] Gij ons gedrukt hebt, [naar] de jaren, [in] [dewelke] wij het kwaad gezien hebben.
16 Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden, en Uw heerlijkheid over hun kinderen.
17 En de liefelijkheid des HEEREN, onzes Gods; zij over ons; en bevestig Gij het werk onzer handen over ons, ja, het werk onzer handen, bevestig dat.

1 Een gebed van Mozes, de godsman. Heer, u bent ons een toevlucht geweest van geslacht op geslacht.
2 Nog voor de bergen waren geboren, voor u aarde en land had gebaard– u bent, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid.
3 U doet de sterveling terugkeren tot stof en zegt: ‘Keer terug, mensenkind.’
4 Duizend jaar zijn in uw ogen
als de dag van gisteren die voorbij is, niet meer dan een wake in de nacht.
5 U vaagt ons weg als slaap in de morgen, als opschietend gras
6 dat ontkiemt in de morgen en opschiet, en ‘s avonds verwelkt en verdort.
7 Wij komen om door uw toorn, door uw woede bezwijken wij.
8 U hebt onze zonden vr u geleid, onze geheimen onthuld in het licht van uw gelaat.
9 Al onze dagen gaan heen door uw woede, wij beindigen onze jaren in een zucht.
10 Zeventig jaar duren onze dagen, of tachtig als wij sterk zijn. Het beste daarvan is moeite en leed, het gaat snel voorbij en wij vliegen heen.
11 Wie kent de kracht van uw toorn, wie vreest oprecht uw woede?
12 Leer ons zo onze dagen te tellen dat wijsheid ons hart vervult.
13 Keer u tot ons, HEER –hoe lang nog? Ontferm u over uw dienaren.
14 Vervul ons in de morgen met uw liefde, laat ons van blijdschap uichen, al onze dagen.
15 Geef ons vreugde, vergoed de dagen dat u ons kwelde, de jaren dat wij ellende doorstonden.
16 Toon uw daden aan uw dienaren, maak uw glorie bekend aan hun kinderen.
17 Laat ons uw genade zien, Heer, onze God. Bevestig het werk van onze handen, het werk van onze handen, bevestig dat.