Arran, een aangename verrassing na 40 jaar Scotland

Na ruim 40 jaar in Scotland te hebben rondgestruind toch wat nieuws ontdekken? Jazeker. Dit jaar ben ik voor het eerst op het eiland Arran geweest. En niet voor het laatst. Alleen Coire- Fhionn Lochan is al voor verhaling vatbaar.

Een zeer nat welkom voor mij hier. Tent op camping in gehucht Lochranza opgezet in de regen. Door open autoportier en achterklep is het in de auto niet helemaal droog gebleven. 

Volgende dag Arran grote lijnen verkend. TomTom wel aan, maar geen route uitgestippeld. Gewoon rijden en genieten van het uitzicht. Paar keer gestopt om foto’s te maken. Begon met flinke bewolking en zelfs (mot)regen, maar naarmate de dag vorderde kwam er blauwe lucht te voorschijn en werd het zelfs aangenaam warm. Daarvan ff genoten bij Blackwaterfoot. In de loop van de middag een privérondleiding gehad (niet omdat ik belangrijk ben, maar er waren geen andere bezoekers) bij distilleerderij Lagg.

Zou 1,5 uur duren, maar het werd langer. De gids vertelde graag en veel omdat hij werkte dat ik wel een beetje verstand van whisky heb zoals hij ook aan mijn vragen merkte. De tour besloten met een ‘nosing’ van een New Make Spirit (63,5 procent alcohol), een Kilmory Edition (46 procent.), een Corriecravie Edition Sherry Finish (55 procent.) en een Distillery Exclusive (51,1 procent) aangezien ik nog moest rijden.

Kleine flesjes
Kreeg de inhoud van de vier glaasjes mee in kleine flesjes zodat ik ze later op de camping kan proeven. Dat zie je bij steeds meer distilleerderijen. Er wordt rekening gehouden dat bezoekers nog moeten rijden en de alcohollimiet om het achter stuur te mogen zeer laag is, lager zelfs dan in Engeland. Aangezien ik de enige bezoeker was tijdens deze rondleiding, werden de flesjes ook nog eens tot de rand gevuld. 

De dag erna stuk naar Coire-Ffionn Lochan gelopen. Het loch (de reden voor de trip naar Arran) niet gehaald. Te laat begonnen, koud en veel wind en verkeerde trui aan. Maar deel dat ik heb gelopen was zeer de moeite waard. Gaat later bij goed weer in de herhaling.

Zondag is vaste prik voor mij om een lokale of regionale kerk te bezoeken. Nu dus die in Lochranza, op 5 minuten lopen van de camping. Klein kerkgebouw dat vandaag bevolkt wordt door dertien personen, inclusief de voorganger, ouderling, organist en dit Nederlandse lid van de Scots International Church Rotterdam. De dienst zelf is kort. Met 55 minuten sta ik al buiten. Vervolgens via de zuidkant van Arran teruggereden naar de camping.

Onderweg in Blackwaterfoot zie ik iets dat we in Nederland niet kennen. Had al eerder hier overal bushokjes gezien met echte stoelen en soms een tafeltje. Nu zie ik in het bushokje hier een echtpaar een tafelkleedje over de tafel heeft gelegd en daarop wat te eten en te drinken. Ze zitten daar dus echt te lunchen…

When on Arran…
Arran distillery tegenover mij camping kan ik niet overslaan natuurlijk. De gids geniet zichtbaar van de echt geïnteresseerde detailvragen van de bezoekers. Dat blijkt ook wel uit de duur van de rondleiding en proeverij. Gepland is 1,5 uur, maar het werd dik 2 uur. 
Aan einde proeverij krijgen we nog een proefglaasje van de Cream Liqueur. Vergeet Baileys! Dit is zoveel lekkerder. Maar misschien ben ik nu bevooroordeeld. Wel flessen gekocht natuurlijk. De verrassende Cream Liqueur, met de 10 jaar oude Arran als basis en in de sectie Malts de sherry cask.  Een aanwinst waar ik terug in Nederland nog eens lang van ga genieten. 
Slaìnte. Of proost, ‘op het leven’, zoals de vertaling van de Gaelic uitdrukking luidt. 

Ben Fogle
De volgende dag is het goed weer en heb ik ruim de tijd voor de wandeling naar Coirie Fhionn Lochan. De naam zei me tot ongeveer een half jaar geleden niets, tot ik op de BBC de documentaire Schotlands Secret Islands zag met Ben Fogle. Hij was op Arran, een eiland waar ik in al die ruim veertig jaar dat ik mijn vakanties doorbreng in Scotland nog nooit geweest.

Altijd leuk om iets nieuws te zien, maar het hoogtepunt in de uitzending was zijn wandeling naar Corie Fhionn Lochan. Coirie wat??? De naam is, hoe dat het ander Gaelic. Coirie is een corrie of kleine vallei, een Lochan een meer en Fhionn betekent wit. Dat laatste slaat op het witte kiezelsteentjesstrand langs twee kanten van het meer. Een genot om te zien op tv, maar ik wil het wel zelf zien…

Vandaag dus. Zaterdagmiddag al klein stuk van de route verkend, maar nu naar het doel zelf. De wandeling zelf is goed te doen. Volgens de website Walkinghighlands staat ere ongeveer vijf kwartier vormen is de totale stijging ruim driehonderd meter. Dat is prima. Wat er niet bij werd vermeld dat vooral in begin en op tweederde de stijging even flink is…

Heerlijke wandeling. Zonnetje, beetje wind, een graad of 14 en wat een uitzicht. Kintyre en Kilbrannan Sound zijn te zien, de westelijke arm van de Firth of Clyde tussen Kintyre en Arran. Rechts, later links klatert het water naar beneden. De vijf kwartier (exclusief een paar stops) vliegen spreekwoordelijk voorbij.

Stil
En dan, na de laatste stijging sta ik ineens oog in oog met Coirie Fhionn Lochan. Ik kan mijn geluk niet op. In het echt is het duizend keer mooier dan op tv. De zon maakt het witte strand nog witter. En behalve de wind en een paar vogels is het helemaal stil. Voor ik foto’s en filmpjes maak ga ik eerst ruim een half uur stil zittend genieten van dit uitzicht. Man, man, man, wat indrukwekkend. Overweldigend.

Na nog een uur de terugweg aangevangen. Net op tijd, want al snel komen de eerste van in totaal vijf mensen en een hond de heuvel op. Terug op de camping en met een wee dram nog nagenietend van de trip, neem ik me al voor dat deze wandeling volgend jaar in de herhaling gaat.

Goede voorzieningen
Bepaald geen straf, want behalve deze tocht, is er nog zoveel meer te ontdekken, zoals het naastgelegen Holy Island, formaties staande stenen. En Arran zelf is een prima plek. Niet zo druk en zeker niet zo vol van toeristen als veel andere stukken van Scotland, zoals Mull waar ik donderdag heen ga.

En Lochranza campsite is een prima plek om te vertoeven. Goede voorzieningen, zeer behulpzaam personeel. Alleen de pub is een kwartier lopen en een volwaardige supermarkt vergt een autorit van bijna een half uur. Ach…

Na Arran is Mull (weer) aan de beurt. Veel enkelbaanswegen. Altijd goed opletten, niet allen voor tegemoetkomend verkeer of automobilisten die je willen inhalen (daar zijn de ‘passing places’ voor), maar ook voor de kuilen in het niet zelden slechte wegdek. Beetje laveren dus en onderwijl ook nog genieten van het uitzicht.

Slechts één doel vandaag (OK, twee als je de pint in de pub meerekent): Art in Nature. Een bossige omgeving met kunstwerken die zijn gemaakt van onder andere wilgentakken en spullen die zijn gevonden op het nabijgelegen strand van Calgary.

Fingals Cave
Een bijna vast onderdeel van mijn verblijf op Mull de laatste tien jaar of meer: de boattrip naar Staffa en Lunga. Eerste keer dat ik dit uitje boekte was vanwege dat eerste eiland. Had gelezen of gehoord dat de componist Mendelssohn er is geweest en zo onder de indruk was dat hij er zijn Ouverture on the Hebrides op baseerde. Bij elke uitgave die je hoort, staat tussen haakjes ‘Fingals Cave’.

En die naam verwijst naar de grot waar het zeewater met grote heftigheid in- en uitstroomt.  De wanden en het plafond bestaan uit enorme zeskantige basaltblokken. Ontstaan door het afkoelende lava na een vulkaanuitbarsting miljoenen jaren geleden.

Elke keer hoop ik zo snel mogelijk langs de wand naar de cave te gaan, om zo lang mogelijk in stilte te genieten van het overweldigende geraas van het water. En natuurlijk het liefst met de muziek op mijn koptelefoon.

Puffins
De boattrip voorziet ook in een bezoek aan Lunga voor papegaaiduikers of puffins (waar de naam van mijn weblog naar verwijst). Clowneske kleine (water)vogels die daar bij honderden of meer (net als elders langs de Schotse kust en ook IJsland) in het voorjaar aan land komen om te nestelen. Leuke beestjes en als je voorzichtig doet en laag bij de grond blijft, kun je ze heel dicht naderen. Heb weer tientallen foto’s en filmpjes gemaakt. Waarom? Geen idee. Misschien gewoon om ze op een regenachtige dag thuis nog eens te bekijken op groot scherm.

Een bezoek aan Mull is voor mij niet compleet zonder op zondag de oecumenische kerkdienst te hebben bijgewoond in de abbey van naastgelegen eiland Iona. Verhaal wil dat vanaf Iona de kerstening van noord Europa is begonnen, met de monnik st. Columba die vanuit Ierland hier terecht was gekomen als grondlegger.

Zoals altijd volle bak hier voor de kerkdienst. Mooie liturgie. Preek (door predikante uit Canada) over Marcus 4, waarin de discipelen met Jezus per boot een meer zullen oversteken. Een storm steekt op en de discipelen raken in paniek en maken Jezus die ligt te slapen wakker. Het voert te ver hier om de highlights van de preek uit de doeken te doen. Wie interesse heeft, moet me maar eens benaderen.

Lochbuie
Een bezoek aan Mull is voor mij niets compleet zonder een rit naar Lochbuie. Zeeloch met kasteelruïne Moy. Ben hier vaker geweest, maar het blijft een mooi bezoek.Een ruïne zoals gezegd, maar jaren geleden wel deels gerestaureerd met onder andere een forse bijdrage van wat wij de Postcodeloterij o.d. zouden noemen. Torenachtig kasteel en niet zonder reden. Moy ligt aan een zeeloch, dus vanuit de hoogte kon je de vijand zien naderen.

Daarna, op kleine kilometer afstand, een stone circle. Kleiner, minder indrukwekkend misschien enkele minder bezoekers dan Stonehenge in Engeland, of Callanish op het Schotse eiland Lewis of Ring of Brodgar op Orkney.

Veel rustiger (lees: helemaal niemand) dus TOP! OK, je moet ff zoeken. Geen duidelijke routebeschrijving (‘volg de witte stenen’) en je loopt over/door zompig hoogveen. Het is de wandeling waard. En ach, die broek en bergschoenen drogen wel weer…

Iona
Voor de laatste dag op Mull zijn de weersvooruitzichten goed: droog, maar niet warm en een beetje [!] veel wind, dus nogmaals naar Iona. Niet voor een kerkdienst dit keer, maar voor een simpele maar mooie wandeling. 

Vorig jaar naar St. Columba’s Bay gelopen, op de zuidwestkust van Iona, nu naar het noorden. Vanaf de veerpont al vaak vaag in de verte een wit strand gezien, dus dat is vandaag het doel. Bepaald geen zware tocht. Redelijk vlak, alleen uitkijken voor de schapendrollen in de weilanden. What else is new for Scotland…

Het  beloofde uitzicht vanaf de pont stelt bepaald niet teleur. Maagdelijk witte stranden, zeer schoon en helder zeewater. Foto’s die ik via WhatsApp deelde met vrienden leverde reacties op als ‘Het lijkt wel Griekenland’, of ‘Net Mallorca’. Nou, hier stond je vandaag niet in korte broek en T-shirt… Wel zeer veel rust en ik weet niet of je dat ook hebt op de stranden in Griekenland en Spanje.

Storm
Op naar Skye. Net over de hoge brug tussen het vaste land en het eiland komt de regen. Gelukkig niet lang, want hoe dichter ik de camping op Sligachan nader, hoe droger het wordt. Bij aankomst voor de zekerheid eerst de tent maar opgezet, want je weet maar nooit. En ook maar extra check of de tent stormvast aan de grond staat. 

Niet overbodig, want in de loop van de nacht begint het te stormen en (weer) te regenen. Dat wordt dus geen wandeling op eerste dag Skye. Weersvooruitzicht bekeken op internet voor Skye. En wat blijkt: als ik dacht dat deze windsterkte al flink was, de komende dagen wordt het erger. Daar ga ik mijn tent niet aan wagen, besluit. Dus voor twee nachten jeugdherberg in Broadford geboekt. Tent inpakken was nog een dingetje in de vliegende storm, maar het is me gelukt.

De volgend dag staat een wandeling op het programma die ik twee jaar geleden bij toeval ontdekte: Strathaird, tussen Loch Slapin en Loch Scavaig. Geen zware wandeling qua stijging. Je gaat wel omhoog, maar zeer geleidelijk.

Storm
De wandeling niet helemaal afgemaakt. Op een hoog punt zag ik dat laatste deel nog wel eens drie kwartier zou duren (en dus ook nog eens terug) en de regen en de storm namen in omvang toe. De tocht gaat dus volgend jaar in de herhaling bij iets beter weer.

Tweede deel van de middag een hernieuwd bezoek aan Torabhaig, die sinds 2017 bestaat. Twee jaar geleden ook geweest en was onder de indruk van de mooie malt die hier wordt gemaakt. Een kleine distilleerderij: twee koperen ketels. Een voor de low wines (het begin destillaat) en de spirit still (voor het zuivere eindproduct).

Alles wat hier wordt gemaakt blijft malt whisky. Er wordt niet geproduceerd voor de blend industrie zoals Famous Grouse, Glen Talloch, White & Mackay en noem maar op. En omdat het nog een jonge distillery is, worden er nog nieuwe ‘smaken’ gemaakt. Een reden voor mij om terug te keren, want de Cnoc Na Moine (gerijpt op sherryvaten Oloroso en Pedro Ximenez) is werkelijk een fantastische ontdekking. Dus na afloop een fles aangeschaft.

Hoorde hier trouwens dat malt whisky pas iets is sinds Glenfiddich er in de jaren zestig van de vorige eeuw mee begon. Tot die tijd werd alles gebruikt om blended whisky te maken.  Had eerder deze vakantie op Arran al wel gehoord dat tot ik weet niet wanneer whisky alleen een product voor Scotland (of Ierland) was. Europa had zo zijn eigen dranken, wijn, jenever, sherry, schnaps, etc. Maar op enig moment werd whisky ‘hip’. The rest is history…

Het belooft droog te blijven, dus na het online volgen van de dienst van mijn kerk in Rotterdam op pad naar Neist Point. Ben er vaker geweest, maar de wandeling naar deze oud vuurtoren van Robert Stevenson. Je ziet qua bouwstijl vergelijkbare vuurtorens in Scotland en dat klopt. Stevenson (1772 – 1850) heeft er veel zo niet alle gebouwd in dit land. 

Het wordt al rijdende steeds zonniger en bij aankomst bij Neist Point vooral blauwe lucht. Een verademing na een paar dagen wolkenvelden, regen en storm. Dus de bergschoenen aan en op weg naar de vuurtoren. Wel verraderlijk. Groot deel van de wandeling (over het deels betonnen pad  dat ooit is aangelegd voor het personeel van de vuurtoren) gaat omlaag. Als je na verloop van tijd omkijkt, weet je dat je op de terugweg dus weer he-le-maal omhoog moet…

Misthoorn
Maar het is het waard. De vuurtoren zelf, de grote misthoorn en het uitzicht zijn fenomenaal. Zoals gezegd ben ik hier vaker geweest, maar het blijft een feestje om hier te lopen.

Bijzonder is het veld met gestapelde stenen. Geen idee wie er heel veel jaren mee begonnen is. Ook geen idee of er een bedoeling/betekenis achter zit. Ik vermoed – ik laat me graag verbeteren- dat de torentjes de vuurtoren verbeelden. Hoe dan ook, leuk om te zien.

Het volgende doel is Applecross. Sta elk jaar op de camping daar, omdat beneden aan het water de Applecross Inn is, pub/restaurant beroemd om verse vismaaltijden.
Dat ik alleen maar hier kom voor het vismenu van de Inn is niet helemaal waar. De tocht via of eigenlijk vanaf Loch Carron is schitterend. Veel stijging met haarspeldbochten op de Applecross Pass en dat op een enkelbaansweg. Altijd maar hopen dat de tegenligger de code kent dat stijgend verkeer voorrang heeft op dalend verkeer.

Mist
Het tweede mooie is dat als je helemaal boven op de berg Bealach na Ba bent en voor je aan de afdaling naar Applecross begint je een schitterend uitzicht hebt. Nu dus niet, want de top is in een dikke mist gehuld. Zo dicht, dat ik aan voorzijde auto alle lampen aan heb die mijn Mazda maar te bieden heeft.

Gelukkig ben ik altijd vroeg wakker (zo rond 05.00 uur), dus geen moeite de ochtend van vertrek vroeg op te staan. Moest ook wel. Wil rond 07.00 uur (eerder gaat slagboom camping Applecross niet omhoog) of 07.30 uur wegrijden om de middagferry naar Orkney te halen.

De lange autorit begint met de tocht over de Beachlach na Ba, met nu via de haarspeldbochten naar beneden. Eenmaal beneden rijdt het een stuk beter. Geen mist meer; af en toe regen. Muziekje aan, cruise controll, het rijdt lekker door. Met een paar stops om de benen te strekken en (bij Wick) de tank nog even goedkoop vol te gooien, ben ik kort na 12.30 uur bij Gills Bay in het noorden van mainland  Scotland. Het lot is mij gunstig gezind. Er is nog plek op de catamaran van de Pentland Ferries die een uur later vertrekt naar St. Margarets Hope op Orkney. 

Verkiezingskoorts
Na rustige overtocht gelijk koers gezet naar de camping in Deerness. Beheerster Linda, die ik al jaren ken en zij herkent mij inmiddels ook goed, komt net aanrijden. ,,Ik zag een zwarte auto met Nederlands kenteken, dus…’’.  

Een van de doelen is om vandaag – donderdag 4 juli – iets van de verkiezingskoorts mee te maken, maar dat valt tegen. Ik zie her en der ‘polling station’, maar van enige spanning is niets te merken. Geen nood, want het eigenlijke programma vandaag is, zeker nu de zon maar blijft schijnen, de Ring of Brodgar. De Standing Stones van Orkney. Altijd weer leuk om hier rond te lopen en foto’s te maken.Er zijn vermoedens (iets met de goden, of de stand van de sterren), maar er is niets op schrift overgeleverd uit de periode van wel 5.000 jaar geleden, dus het blijft allemaal gissen.

Hoge, zware stenen die rechtop staan. In een cirkel, zoals de naam al doet vermoeden. En bij Brodgar, het ‘gat’ waar het tweede deel van de naam naar verwijst. Het is hier nog niet echt het toeristenseizoen, dus de drukte valt mee. Als ik hier foto’s maak, wil ik geen mensen in beeld hebben lopen. Gelukt!

Eb
Daarna, als vaker, door naar Earls Palace, ooit een imposant kasteel,  nu een ruïne, maar het bezoeken altijd waard. De grote verrassing kwam daarna. Net als anders doorgereden naar Brough Head. Nooit naar het eiland geweest, want het is alleen bij eb – te voet- bereikbaar. En laat het nu net eb zijn…

Hier vindt je geschiedenis van wel 2.000 jaar oud. De restanten van Noorse nederzettingen en van een klooster inclusief kerk/kapel. En niks ‘kijken, niet aanraken’. Je loopt er gewoon tussendoor en gaat even zitten op een duizenden jaren oud overblijfsel. Je kunt je even wanen in die tijd. Je kijkt naar de zee en beseft dat die Noormannen en monniken ook zo naar het water hebben gekeken.

Vikingen
Elders op Orkney weer iets nieuws: Broch of Gurness, een oude nederzetting van de Vikingen, de vroegste bewoners van dit gebied. Ook hier weer restanten die bewaard zijn gebleven en goed zijn onderhouden. Je loopt hier door de eeuwenoude ‘straten’. Gaat zitten op een muurtje en bedenkt dat hier een paar duizend jaar geleden mensen misschien net zo hebben gezeten.

En het mooiste? Net als op zoveel plekken in Scotland, kom ik na meer dan veertig jaar dus toch weer enkele nieuwe plekken tegen die het waard zijn te bezoeken. Het leert me dat ik hier de komende jaren ook nog volop kan genieten. Genieten van hernieuwde kennismaking met bekende locaties en nieuwe ontdekken.
Scotland verveelt nooit!

Yesnaby
Een bezoek aan de Orkney eilanden is voor mij nooit compleet zonder een wandeling op Yesnaby, aan de westkust van het mainland. 
Lopend langs de cliffs, met vrijwel constant het geluid van de golven die op de rotsen van de kust en in zee beuken. Het blijft na al die jaren toch steeds weer zeer indrukwekkend. Het maakt je klein, om het zo te zeggen.

Zoals bij veel andere wandelingen die ik maak, beperken veel bezoekers zich tot de eerste paar honderd meter. Dan hebben ze de golven gezien en gehoord. Heb het gebied verder goeddeels voor mij alleen.
Slechts een handjevol wandelaars gaat de paar km zuidwaarts langs de kust om de ‘castle’ te zien, de rotspunt in zee. Het is geen kasteel geweest; de naam verwijst alleen naar de verschijningsvorm. Ik ben altijd weer onder de indruk hoe de golven – tevergeefs- proberen de castle van zijn poten te ontdoen. Hier dan ook weer een half uur of zo gezeten om te zien of het dit keer wel lukt…

Krijgsgevangenen
Na de kerkdienst in St. Magnus Cathedral in Kirkwall op zondag naar de Churchill Barriers; verbindingsdammen en -wegen tussen een paar van de eilanden aan de zuidkant. 

Gebouwd vanaf 1940 in opdracht van Winston Churchill, destijds de hoogste baas van de marine (‘Lord of the Admiralty’). Reden was dat de Duitse marine de wateren hier bij Scapa Flow gebruikten als snelle doorvoer naar het noorden van mainland Scotland. Eer was al een Brits schip, de HMS Royal Oak, getorpedeerd, met het verlies van 834 manschappen aan Britse zijde. De barriers moesten een herhaling van die doorsteek van de Duitsers voorkomen.

Voor het werk werden Italiaanse krijgsgevangenen ingezet. Dat mocht volgens internationale oorlogsregels natuurlijk niet. Daar had Churchill wat op gevonden. De dammen zijn niet gebouwd om de vijand tegen te houden, maar om de verschillende eilanden in dit deel van Orkney met elkaar te verbinden. Er ligt, zichtbaar, nog aantal scheepswrakken in de buurt van de verschillende dammen en die zijn nu in de zomer een zeer gewilde plek voor sportduikers. 

De aanwezigheid van de krijgsgevangenen hier is nog zichtbaar in de Italiaan Chapel. De krijgsgevangenen verbleven in nissen hutten op Holm. Een van de gebouwen had op enig moment geen functie meer. De Italianen kregen toestemming daar een kerk van te maken. De muur- en plafondschilderingen zijn indrukwekkend. Hadden de Italianen niet zelf bedacht (t, maar afgekeken van een ansichtkaart die een van de moeder# had gestuurd. Na tachtig jaar is het nog intact. Voor wie ooit naar Orkney gaat, het is een bezoek waard.

Kasteel
Na Orkney is het tijd om af te zakken. Niet weer een lange autorit. Stop nu halverwege in Dornoch.

Daar in de buurt bezoek gebracht aan Dunrobin castle. Het bezoek meer dan waard. Je krijgt waar voor je geld (14.50 pnd). Een route door wel achttien zalen/kamers met meubilair, muziekinstrumenten, uniformen, gedekte tafels met veel zilverwerk, boeken en nog veel meer. Een lust voor het oog. Een duidelijke route met eenrichtingsverkeer. Maar aan het einde kun je weer opnieuw beginnen als je wilt.

Wie binnen uitgekeken is, kan buiten naar de schitterend aangelegde tuin. Van die kant heb je mooi zicht op het kasteel zelf. Alles is Franse stijl. Dunrobin castle zou zo in Frankrijk steen voor steen afgebroken kunnen zijn en hier weer zijn opgebouwd. 

En dan de falconry, achter in de tuin. De valkenier demonstreert het vliegen, prooi vangen en geeft een uitvoerige uitleg van twee van de zeventien vogels die hier huizen, een havik en een valk. Mooi om die vogels door de lucht te zien gaan en precies op tijd terugkeren om een ‘prooi’ te vangen. Na afloop ruim de tijd om de vogels van dichtbij op de foto te zetten.

De volgende dag naar het zuiden, bij Inverness naar het oosten gereden. Had bij de voorbereidingen van deze vakantie al bedacht naar Fort George, net buiten het dorp Ardersier, te gaan. Een fort met een zeer lange en rijke militair3 geschiedenis, of traditie zo u wilt.

Jacobieten
Het uit de achttiende eeuw daterende fort kwam de kort na de opstand van de Jacobieten (april 1746): op dit schiereiland in de Moray Firth. In 1881 werd het fort het depot van het regiment Seaforth Highlanders en bleef dat tot dat regiment in 1961 opging in de Queen’s Own Highlanders. Later volgden nog meer fusies tot in 2006 die van de Royal Regiment of Scotland.

In het fort, dat nog steeds in gebruik is en dus soldaten herbergt, kan een deel van de schitterende bebouwing worden bezocht. Er is een fraai museum waar die geschiedenis nog eens via video’s wordt verteld en waar je tastbare herinneringen (al mag je ze niet aanraken!) ziet als vaandels, uniformen, geschenken en nog veel meer. 

Daarna in de regen via Inverness naar Cannich in Glen Affric. Halverwege de rit Inverness – Cannich stopt het met regenen, zodat ik bij aankomst de tent droog kan opzetten en inruimen.  Leuke van het jaarlijks hier kamperen is, dat je wordt herkend door de eigenaar (in dit geval zijn zoon). 

Komende dagen genieten van de natuur hier. De volgende dag kans op brekende bewolking en wat zonneschijn, geen regen en nauwelijks wind, dus gelijk maar naar Glen Cannich en Mullardoch. Maar niet nadat ik in café van de camping een stevig ontbijt naar binnen heb gewerkt. Een echt Brits ontbijt, dus inclusief een flinke schijf bloedworst. 

Enkelbaansweg
Glen Cannich en de Mullardoch hydrodam zijn erg ver weg van het dorp Cannich, maar omdat je vrijwel nergens harder kunt dan zo’n 35 – 40 km per uur, is het nog een stevige rit. En niet te vergeten een regelmatige stop om van het uitzicht te genieten. De enkelbaansweg is te onoverzichtelijk om al rijdende uitgebreid om je heen te kijken. 

De zon komt inderdaad regelmatig tevoorschijn, dus bij elke stop is het weer genieten van de schoonheid van dit gebied. En heerlijk rustig, Behalve de enkele passant aan het begin van de route, kom ik in het dal niemand tegen.

Volgende dag naar het dal Glen Affric. Altijd als ik hier kampeer, ga ik hierheen. Het blijft een schitterend gebied. Vandaag al helemaal, want het is uitzonderlijk rustig. Het gebied met een doodlopende weg, met drie stopplaatsen, waarvan de eerste, Dog Falls, je al gelijk in de juiste stemming brengt. Prachtige natuur en veel watergeluid. Dan door naar de derde stop, River Affric. Geen zware wandeling, maar vanwege de soms/vaak natte stenen aan de oever toch de bergschoenen aangedaan, want goed profiel. Better safe than sorry! 

Feestje

Weer heerlijk om hier weer rond te struinen. Heb hier met regen, zonneschijn en bijna elk ander weertype dat je kunt bedenken (OK, geen storm en sneeuw) gewandeld en het blijft elke keer weer net als nieuw. Nu bewolkt, droog, weinig wind en niet koud, dus een feestje. En ook weinig passanten, dus volop rust om van de natuur te genieten.

Tot slot naar de tweede, middelste stopplek, Loch Benin a’ Mheadhain. Prachtig uitzicht op het gelijknamige loch of meer. Hier niet het geluid van stromend water, dus absolute stilte. Als stadsmens maak ik dat thuis nooit mee.

Culloden
Een nieuwe dag met weer iets nieuws. Een bezoek aan een heus slagveld: Culloden. Hier, een paar kilometer ten oosten van Inverness werd op 16 april 1746 slag geleverd tussen de Schotse aanhangers (Jacobieten) van ‘Bonny Prince Charles (die een onafhankelijk, dus vrij Schotland voor ogen had en ook de troon van zijn vader terug wilde) en het Engelse leger onder leiding van de Duke of Cumberland. De laatste won het gevecht, maar wel met 700 doden aan de kant van zijn leger. De Jacobieten hadden ruim twee keer zoveel doden te betreuren. Met de veldslag kwam een einde aan de opstand van de Jacobieten.

Op ‘Battlefield Culloden’, kun je de geschiedenis herbeleven in gesproken en geschreven woord en beeld. Er is een goed museum. Slingerend door het gebouw maak je aan de linkerkant van de looproute kennis met het verhaal van de Engelsen en rechts dat van de Jacobieten.

Uiteindelijk kom je buiten en loop je dus echt over het slagveld zelf. Verspreid in het gebied moeten nog slachtoffers in de grond liggen. Op informatieborden wordt de bezoekers gevraagd hier dan ook met respect rond te lopen.

De familieverbanden of clans zoals dat in Schotland heet, waartoe de 1.500 Schotse slachtoffers behoorden, zijn genoemd op ‘grafstenen’ in het veld. Waar de linies van beide partijen stonden, zijn blauwe (Jacobieten) en rode (de Engelsen) vlaggen neergezet.
Al met al zeer informatief.

Geneve
Zondag weer een kerkbezoek. Dit keer in Beauly. De dichtstbijzijnde kerk van de Church of Scotland 25 autominuten vanaf de camping), maar keuze ook om een andere reden.

De voorganger ken ik nog uit de tijd dat hij predikant was in Genève en we elkaar tegenkwamen bij vergaderingen (tweemaal per jaar) tijdens de classisvergaderingen/presbytery meetings ergens in Europa. 
Leuk om hem en zijn vrouw na afloop nog even te spreken. En o.a. de groeten te brengen van het dagelijks bestuur van de presbytery waarmee ik de vorige week nog had vergaderd via Zoom. 
Dacht hem nog even te verrassen met de laatste ontwikkelingen rond de kerk in Genève, maar hij blijkt daar nog zijn voelhoorns te hebben. 

Na een goede nachtrust op weg naar Lochaber/Rannoch Moor/Glencoe. Een stop bij Fort Augustus om weer even te genieten van het passeren van een jacht door de vijf aan elkaar geschakelde sluizen tussen het Caledonian Canal en Loch Ness. Veel sluizen, maar er is dan ook een groot verval tussen het kanaal en het meer.

West Highland Way
Doorgereden naar mijn eindbestemming voor vandaag Kinlochleven. Mini-camping en daardoor al veel beter dan die grote in Fort William. En leuk vermaak. Heb zelf bijna 40 jaar geleden met W.P. de West Highland Way (van net ten oorden van Glasgow naar Fort William, >20 km per dag, met bepakking) gelopen. En dan is het nu leuk om – met een whisky in de hand – al die afgepeigerde routelopers te zien arriveren. Een voordeel: al die lopers willen na aankomst douchen en niet de volgende ochtend voor begin van de laatste etappe. En laat ik dan juist graag lang onder de douchekop staan.

Hiervandaan staan nog twee wandelingen op het programma: Glen Nevis en Rannoch Moor. O ja en ik heb nog koffie-afspraak vlakbij Fort William bij de predikant van de allereerste Church Of Scotland gemeente die ik in1982 bezocht. Daar kijk ik zeker naar uit. 

Plaquette
Qua wandeling als elk jaar Peters Rock. Een soort pelgrimage. Peters Rock is een markering op elke landkaart van de Ordnance Survey, zeg maar de standaard landkaarten in het VK als het gaat om autoritten en wandelingen.
De wandeling begint op het stationnetje Corrour, vanaf mijn camping in Kinlochleven eerst een half uur met de auto naar Fort William en dan een treinrit van vijftig minuten. 

Daar midden in de stilte (behalve wat mensen die ook uitstapten op het station, ben ik op twee fietsers na de hele dag niemand tegengekomen) loop je te genieten. Alleen jij, wat vogels en de wind. O ja, en het betoverend mooie landschap.

De wandeling voert in een lichtje zonnetje en met wind mee over de heuvels. Een goed pad, zeker nu het hier al dagen droog is en je dus niet hink-stap moet proberen modderpoeltjes of plassen te ontwijken. 

Ik weet na zoveel jaar dat ik hier kom dat ik op de heenweg wel een beetje moet doorlopen. Ik moet uiterlijk 15.15 uur terug zijn op het station, want als ik de trein van 15.24 uur naar Fort William mis, moet ik 6 uur (!) wachten op de volgende. Dus een uur (of wat langer) naar Peters Rock, daar een half uur of zo genieten en dan weer in een uur terug.

Onder het ijs verdwenen
Peters Rock is vernoemd naar Peter J. Trowell, een Engelse beheerder/gastheer van jeugdherbergen. In de winter van 1978 – 1979 was hij hier. Ik heb daar twee lezingen over gevonden. De ene verhaalt van een vakantie in de stilte, de andere over klusjes die hij hier zou uitvoeren.

Hoe dan ook, er is iets vreselijks misgegaan. Het meer of loch was bevroren en hij is op enig moment onder het ijs verdwenen. Zijn lichaam werd pas in het vroege voorjaar gevonden toen het ijs begon te smelten. Trowell is in Engeland begraven, maar bij Peters Rock is een plaquette aangebracht op een rotsblok. Peters Rock dus.

En waarom staat dat rotsblok met plaquette juist hier? Wel, als je van Corrour naar Rannoch loopt, maakt het pad hier vlakbij een bocht naar rechts. Een markering dus. Op de plaquette staat behalve zijn naam, geboorte- en vermoedelijke overlijdensdatum een kort gedicht. Dat gedichtje is al jaren mijn levensmotto. En dus moet ik elk jaar als ik in Scotland ben, hier even naar toe. Bovendien, zeker op een dag als vandaag, is het hier echt genieten van de rust enger uitzicht. Als de treinen elk uur op Corrour zouden stoppen, zou ik er zeker langer blijven zitten dan het half uur dat nu kan.

Het gedicht op de plaquette:
I have a friend a song and a glass 
Gaily along lifes road I pass 
Joyous and free out of doors for me 
Over the hills in the morning

Glen Nevis is het volgende doel. Een schitterend gebied. Elke keer dat ik dit dal in ga beschouw ik als een feestje. Dat begint al kort na het parkeren van de auto. Het pad voert onder andere langs een gorge met links een bergwand en rechts een diepe afgrond waar rivierwater hard stroomt langs de andere bergwand. Het geluid van het water boezemt ontzag in. Of nederigheid. 

Staaldraadbrug
Dan, na nog een minuut of vijftien ontwaart zich het dal of de glen. Breed, kiezelstrand. Schoonheid zover het oog reikt. Door lopend doemt al snel de waterval Steall Falls op. Naar rechts kijkend lokt de staaldraadbrug over het water me.
Vandaag heb ik de verleiding kunnen weerstaan om naar de overkant te gaan. Laten we zeggen dat het te druk was en ik niet achteraan de rij wilde wachten…

Veel liever sla ik, na hier een minuut of tien weer van het uitzicht op de omgeving en de waterval te hebben genoten, linksaf. Verder het dal in. Het mooie is elk jaar weer de wetenschap dat veel mensen na bij de staaldraadbrug te zijn geweest nog ff doorlopen, maar dan al snel weer richting hun auto gaan. Een tweede groep loopt nog een stukje door naar een wat breder kiezelsteentjesstuk iets verderop. Daarna wordt het stiller en stiller qua wandelaars. 

Haggis
En daar ga ik voor. Paar mooie punten om weer even te stoppen en van het uitzicht te genieten. Alleen met het geluid van de wind, wat vogels en ergens achter mij weer een waterval(letje).

Ik zou het pad helemaal kunnen vervolgen tot het Blackwater reservoir (een kunstmatig meer voor de opwekking van elektriciteit of ‘witte steenkool’) en dan daar afdalen naar de camping. Maar ja, dan moet ik daarna weer helemaal naar de carpark in Glen Nevis om mijn auto op te halen… Dus omgekeerd en via Fort William terug naar de camping.

Dan zit de vakantie er al weer bijna op. Aan het slot van deze zes weken nog naar Earlston in de Borders. Daar spullen ophalen voor Rotterdam.

Maar vrienden Jean en Jimmy hebben ook beloofd mijn te verwennen met een goede warme maaltijd (met haggis!) en een stevig ontbijt op de laatste dag als ik na de kerkdienst richting veerboot ga. Dus bacon, eggs, haggis, bloedworst, baked beans.

Nou, daar houd ik het gemakkelijk op tijd tot het avondeten aan boord van de veerboot naar IJmuiden. Dank Jean!

Hieronder enkele filmpjes van de vakantie dit jaar. Geniet ervan, net als ik heb gedaan.

Kunstkijken in een gesloten museum

Bezoek aan museum dat al paar jaar gesloten is en ook nog jaren gesloten blijft. Bijzonder dus om toch door Museum Boijmans Van Beuningen te lopen. Wel met bouwhelm op. Verrassende installaties.

Nog nooit geweest, maar deze weken is het mogelijk omdat in kader van Maand van de Architectuur een rondgang te maken door het gesloten, 89 jaar oude Boijmans Van Beuningen. Dat het museum in Rotterdam wordt gerenoveerd, kan niemand ontgaan die binnenstapt, merk je tijdens het bezoek aan Snakken naar Boijmans.

Wel met een bouwhelm op. En voor wie ondanks de waaraschuwing bij het boeken van een toegangskaartje toch zo dom is op teenslippers te zijn gekomen, moet dat schoeisel even omruilen voor beschikbare stevige stappers.

Gaten in de muren. Verwijzingen naar zalen die niet meer kloppen. Volgens mij is het nog niet de verbouwing zelf, maar bouwkundig onderzoek naar wat er allemaal mis is en wat er moet gebeuren en ook – dat staat vast – asbestverwijdering.

Rijksmonument

Het klinkt spannend voor zo’n bezoek. Ik ben van de categorie die niet alleen naar het museum gaat voor de collectie, maar ook voor het gebouw zelf. Dat heb ik al sinds ik voor het eerst in het Rijksmuseum in Amsterdam kwam. De architectuur daar is van een grote schoonheid en ik hoop op diezelfde ervaring in Boijmans, dat deels ook een rijksmonument is.

Nou, dat lukt, al zijn er soms wel een beetje fantasie en oude foto’s voor nodig. Dat geldt bijvoorbeeld voor een monumentale houten trap. Die is verwijderd. Alleen het stenen geraamte duidt de plek.

Spannend is dat het museum niet één gebouw is, maar eigenlijk een optelsom van vier bouwdelen van achtereenvolgende architect die sinds 1928 betrokken zijn geweest bij Boijmans. Duidelijke uitleg in twee plattegronden die elke bezoeker meekrijgt. Op de ene kant veel informatie over het gebouw (architectuur) zelf en de andere kant over de installaties en andere kunstwerken die speciaal voor deze weken te bewonderen zijn.

Toren

Zo leer ik dat de al genoemde houten trap (die dus nu verwijderd is) al dateert uit 1700, maar toen onderdeel was van het woonhuis van Simon de Brienne, die het in 1928 schenkt aan het museum. Ik geniet van de marmeren vloeren en plinten en de fraaie spiraaltrap met veel lichtinval. De toren die boven het museum uitsteekt is helaas niet te bezoeken, maar op deze zonnige dag is er vanaf de binnenplaats mooi zicht op.

Om Boijmans toch even een museum te laten zijn (het is dicht sinds 1919 en gaat op zijn vroegst pas in 1929 open), hebben kunstenaars op verschillende plekken fraaie installaties geplaatst. Dat moet een buitenkansje voor ze zijn, want door de leegte van het gebouw, hebben ze nauwelijks met ruimtelijke beperkingen te maken gehad.

Yellow Lines

Heel fraai vind ik bij de al genoemde spiraaltrap de meters- en metershoge draaiende… tja, wat is het eigenlijk? Autotomania ku Zjeitu van de kunstenaar Kevin Osepa . Nou, mooi in elk geval. Nog mooier vind ik The Pace of Yellow Lines and Blue Surfaces van Johannes Langkamp. Twee bewegende installaties in zachte kleuren en materialen die van een afstand in twee naast elkaar gelegen museumzalen zijn te zien.

Een installatie waar je niet omheen kunt (maar wel doorheen kunt lopen) is Labyrinth van de kunstenaar Adrianus Kundert op de binnenplaats van het museum (zie foto onderaan). Met lucht gevulde gestreepte kokers waar je doorheen kunt lopen.

Sommige installaties heb ik gefilmd. Zie onderaan.

En op een zonnige dag is er natuurlijk ter afsluiting een uurtje in redelijke van de zon genieten in het park achter het museum. Wie het museum wil bezoeken (aanrader!): het is nog toegankelijk tot en met 7 juli.

Mijn keuze voor het nieuwe schouwburgseizoen

Mijn keuze voor het nieuwe theaterseizoen, met op het laatste moment nog een verrassende ontdekking in het genre muziek. Verderop in dit verhaal een toelichting daarop. En nu maar afwachten welke voorstellingen worden toegekend.

08/10: Antigone (toneel, Het Nationale Theater met Mark Rietman)
20/11: Dolf Jansen
12/12: Dilana Smith (rock zangeres)
19/12: Waverly Gallery (toneel, met Anne Wil Blankers)
28/01: Bert Visscher
13/02: Lebbis
20/03: BV Vastgoed (toneel, Toneelgroep Maastricht)

Ben groot liefhebber van toneel, dus blij dat ik weer drie zo op het oog stukken heb ontdekt in de brochure voor het seizoen 2024 – 2025 van de Goudse Schouwburg.

De eerste (en ook mijn eerste voorstelling in het nieuwe seizoen) op 8 oktober is Antigone. Een klassieke tragedie, gebaseerd op de Griekse mythologie. Het motto van het stuk: om gelukkig te worden moet je verstandig handelen (maar wat is verstandig handelen?) en de goden niet tarten (maar wat is de goden tarten?). Het centrale thema van het stuk: Het individuele geweten versus de staatswetten; de morele of goddelijke wetten versus de menselijke wetten.

De tweede, op 19 december met Anne Wil Blankers, is Waverly Gallery. Een, volgens de omschrijving krachtig, aangrijpend en vaak hilarisch verhaal over de laatste jaren van gulle en praatgrage grootmoeder (Blankers). Zij is nog altijd eigenaresse van een kleine kunstgalerie en kampt met de nietsontziende ziekte Alzheimer. Het stuk vertelt over haar strijd om haar onafhankelijkheid te behouden en het effect van haar achteruitgang op haar familie,

Verkoopwedstrijd
De derde (en mijn afsluiting van het seizoen in de Goudse Schouwburg) is op 20 maart: BV Vastgoed door Toneelgroep Maastricht. zwarte komedie waarin mensen wanhopig strijden voor hun baan en bestaan in een wereld die draait om geld.
Op het makelaarskantoor BV Vastgoed worden de medewerkers door de directie onderworpen aan een verkoopwedstrijd. De twee beste verkopers krijgen een bonus, de rest wordt ontslagen. Dit zorgt ervoor dat er een strijd ontstaat waarin alleen de sterkste overleeft.

Ook in de rest van mijn keuze heb ik veel zin. Logisch eigenlijk, anders had ik de voorstellingen niet geboekt…

Dolf Janssen (20 november) is altijd goed voor een avond voor gulle lach en nadenken. Je moet wel constant alert zijn bij deze spraakwaterval.

Dolf vraagt zich in deze oudejaars voorstelling Ongewone Nederlander af: als de gewone Nederlander bestaat, hoe ziet dat er dan uit, qua kleding en kapsel en wat er op je barbecue ligt. En, zeker zo belangrijk, wat betekent het als je het níet bent? Als je niet aan De Normen Der Gewone Nederlander voldoet…? 

Veel is nu nog niet bekend. Hij haakt uiteraard in op de actualiteit zoals het nieuwe kabinet, de presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten en tja, daar is nu nog weinig over bekend.

Rockzangeres
Dan de verrassing dit seizoen voor mij: de Zuid-Afrikaanse rockzangeres Dilana Smith (10 december).

Nooit van haar gehoord, maar ze gaf een kort optreden afgelopen maandag tijdens de seizoenprestatie in de schouwburg. Wat een leuk mens en wat een stem.

Een optreden met nummers van onder andere Tina Turner, Janis Joplin of Cyndi Lauper. Tussen de nummers door vertelt ze in een charmante mengelmoes van Nederlands, Engels en Zuid-Afrikaans over opmerkelijke paralellen tussen haar roerige leven en dat van haar heldinnen.

Waar ik ook ongelooflijk naar uitkijk, is Bert Visscher op 28 januari. Hij heeft een tijd niet in de theaters gestaan, maar keert terug. Met deels een terugblik, lees: oud materiaal. Van Barbie Ken tot bloemschikken en van de klushoek (de helm !) tot de stotterende man van motorclub No Calendar..
Samen met nieuwe idioterie en materiaal dat het nooit heeft gehaald. Visscher: ,,Het moet het wel een typische Visscheravond worden.’’

Nog één avond cabaret dit nieuwe seizoen, op 13 februari: Lebbis. Over het programma is nu nog niet meer bekend dan de titel: Spaanse kussen. Geeft niet, ik laat me graag verrassen.

UPDATE 6 juni: Trouwfeest op 20 november. Dus avondje Dolf Jansen gaat niet door. Ik weet het, wat is er nog leuker dan een avondje Dolf Jansen. Maar ik wil de bruid niet teleurstellen…

Vergane glorie: vliegveld Waalhaven

Dat Rotterdam voor Zestienhoven al een luchthaven had, wist ik. Ook dat Vliegveld Waalhaven in de Tweede Wereldoorlog volledig is gebombardeerd is, Maar dat het zo dicht bij Heijplaat, de woonplaats van mijn grootouders en ook een tijd van mijn ouders, zus en twee broers was, wist ik niet. Ook niet dat het de allereerste Europese vliegveld voor de burgerluchtvaart was. Schiphol bestond al wel, maar was een militair vliegveld.

Die laatste kennis en ook de locatie is me vanmiddag duidelijk geworden op een tentoonstelling over het vliegveld op een expositie in Kasteel Rhoon.  

Nou ja…, vliegveld. Het was in die tijd niet meer dan een groot grasveld en een paar gebouwen. Toch was het een wonder van de moderne tijd. Rotterdam liep er voor uit. Er werd gretig gebruik gemaakt van rondleidingen. Prijs: een dubbeltje. En er was een restaurant, zodat al vroeg rekening werd gehouden met bezoekers en passagiers. Ook was er al een vliegtuigfabriek (Koolhoven).

Luchtlijnen
Na de Eerste Wereldoorlog kwamen duizenden piloten ( en ook even zovele oorlogsvliegtuigen) in allerlei landen tot stilstand. Het was daardoor geen wonder dat men snel tot het idee kwam luchtlijnen te gaan vormen tussen landen en steden.

Uitgerekend een voormalige Duitse oorlogsvlieger, Alfred Kerzman, stelde het Rotterdamse Gemeentebestuur voor een vliegveld aan te leggen. Iedereen was enthousiast. Zelfs in Engeland was er grote belangstelling, vanwege het belang van postvliegtuigen.

Toevallig was er een groot terrein net ten zuiden van de Waalhaven meteen beschikbaar. Het was al met grond opgespoten (om de Waalhaven zelf te vergroten) om als bedrijventerrein te gaan dienen. Op 26 juli 1920 landde het eerste luchtpostvliegtuig in de luchtlijn Amsterdam-Londen op Waalhaven.

De KLM stond aan de wieg van het vliegveld. De gemeente Rotterdam had afspraken gemaakt met de KLM. Die zou het vliegveld helemaal bemannen en beheren. 

Het vliegveld mocht zich jarenlang in een grote belangstelling verheugen. Vliegen werd populair en ook aangemoedigd. Zelfs voor een bedrag waar de goedkoopste prijsvechter van nu niet aan kan tippen.

Bombardement
Op 10 mei 1940 jun de vroege ochtend werd het vliegveld grotendeels uitgeschakeld. Een Duits bombardement vernietigde het grootste deel van de gebouwen. Daarna maakten Nederlandse en Britse bombardementen het vliegveld nagenoeg onbruikbaar voor de Duitsers, hoewel het nog tot en met 12 mei sporadisch kon worden gebruikt voor landingen.

Het vliegveld is na de oorlog niet opnieuw opgebouwd. Pas in 1956 kreeg Rotterdam een nieuwe luchthaven, Zestienhoven, ten noorden van de stad. Het restaurant van vliegveld Waalhaven is nagebouwd bij het huidige Zestienhoven en doet ook daar dienst als restaurant, of brasserie zoals dat modern heet.

De tentoonstelling in Kasteel Rhoon laat oude foto’s zien, met bijbehorende duidingen. Een prachtig overzicht. De makers van de expositie hebben ook verschillende filmpjes over de luchthaven zelf en over Rotterdam vanuit de lucht aan elkaar gemonteerd. Dat geeft een mooi beeld over de tijd van de tweede helft van de jaren twintig van de vorige eeuw tot en met de verwoesting van het vliegveld door bombardementen in mei 1940. Het bezoek meer dan waard.

Panorama uit mijn jeugd

Voor het eerst sinds mijn jeugd weer Panorama Mesdag in Den Haag bezocht. Ik herinnerde me niet meer hoe bijzonder dit kunstwerk is.

OK, wie niet van kunstwerken houdt, zal zijn schouders ophalen. Het is een schilderij van iets meer dan 160 jaar oud. En het is het enige waarvoor je dan ook nog speciaal naar het museum in de Zeestraat moet. De rest is wel aardig, maar het gaat om het panorama.

De naam geeft het al weg. Het is een rondblik, echt 360 graden van Scheveningen en een deel van Den Haag. In 1881 geschilder door Willem Mesdag (Haagse School), zijn vrouw en twee vrienden.
In opdracht van een Belg, want in die tijd waren panorama schilderijen booming, zoals we dat nu noemen.

Arntzenius
Ben er, zoals hierboven gezegd, in mijn jeugd geweest. Waarom weet ik niet meer. Nu getriggerd, omdat in het museum een van de schilderijen van de Arntzenius collectie uit Museum Gouda (foto hieronder) hangt. Die hoefde ik niet te zien, maar het panorama…, ja, laat ik die maar eens op mijn museumlijstje zetten.

Dus vanochtend naar de Hofstad en in het museum aan de Zeestraat direct naar boven. Daar genoten van het ongelooflijke tafereel dat je daar aanschouwt. 14 Meter hoog en met een omtrek van 120 meter.

Het schilderij, dat een van de oudste nog bestaande panorama’s in de wereld is, is een vergezicht op de Noordzee, de duinen, Den Haag en Scheveningen. Ontworpen (met pen op glas) vanaf de Seinpostduin en later dus uitgewerkt met zijn vrouw en vrienden tot dit imposante werk.

Een genot voor het oog, zeker voor wie van Scheveningen, de duinen en het zicht op Den Haag houdt. En voor wie wel eens een echt mooi bewaard gebleven immens groot panorama houdt. Je ruikt alleen de zilte zeelucht niet.

IJskoude nostalgie met toch warme herinneringen

Herinnering uit mijn jeugd is nu te zien in Museum Gouda. De al lang gesloten ijssalon Italia is hier een beetje nagebouwd. Het is dat ik niet meer snoep, anders zou ik zo weer aan een echt Italiaans ijsje willen likken…

Italia was de enige zaak in Gouda in mijn jeugd waar echt ijs, dus Italiaans werd verkocht. In supermarkten en dergelijke waren alleen waterijsjes te koop. Een echte traktatie was dus een ijsje bij de ijssalon van de familie Agnoli op de Markt.

Kan me niet veel van de smaak van het ijs herinneren, wel de inrichting, met tafeltjes en stoelen, de brede toonbank. En lopend over de Markt kon je de ijssalon niet missen, want de grote lichtreclame met de naam Italia lokte je er vanzelf naar toe. Het verhaal gaat dat op feestdagen als – toen nog – Koninginnedag er een flinke rij mensen stond te wachten om naar binnen te kunnen.

IJscoupes
Op de kleine tentoonstelling in het dit jaar 150 jaar bestaande Museum Gouda, komt dat weer een beetje tot leven. Pure nostalgie. Uiteraard hangt het grote lichtbak van de gevel er, maar ook prijslijsten, tafeltjes en stoelen en een vitrine met tal van ijscoupes uit de ijssalon. Een aantal voorwerpen is naar het museum gekomen na een oproep in AD Groene Hart, de krant waarvoor ik tot eind vorig jaar journalist was.

Zwart-wit foto’s laten zien hoe de zaak er decennia geleden uit zag. Agnoli kwam in 1939 naar Gouda als vluchteling van de armoede en het fascistische regime.

De ijssalon was alleen van het voor- tot het najaar geopend. De wintermaanden bracht de familie toen de democratie in Italië was hersteld, door in het moederland. Italia sloot in 2002, nadat de laatste eigenaar Danilo Agnoli om gezondheidsredenen niet meer terugkeerde naar Gouda. Hij overleed op 25 januari van dit jaar op 79-jarige leeftijd in Italië.

Smaakverschil
Wat rest zijn nieuwkomers die ook traditioneel Italiaans ijs verkopen. Volgens sommige Gouwenaars haalt dat ijs het niet bij die van Italia, maar dat lijkt me een boude bewering. Na zoveel decennia kun je dat smaakverschil echt niet merken.

Een van de Italiaanse oud-werknemers van Italia verkoopt overigens in de zomerperiode nog steeds ijs. ‘Opa Antonio’, zoals hij bekend staat’, is met zijn ijskar dan te vinden bij de Reeuwijkse Plassen. Zodra hij voor het eerst in het nieuwe zomerseizoen wordt gespot, gaat zijn aanwezigheid al snel rond via Twitter en Facebook.

De tentoonstelling in Museum Gouda is nog tot 27 oktober te bezoeken.

Betoverend mooi en verrassend

Een ‘tentoonstelling’ met bekende werken van Mondriaan, Van Gogh, Vermeer en Rembrandt, maar dan anders. Projecteis op muren. Veel van de werken heb van de kunstschilders heb ik met enige regelmaat, dus een moderne bewerking lijkt me wel geinig. Nou, meer dan geinig is het betoverend.

Zelfs wie geen kunstliefhebber, laat staan –kenner is, zullen de zelfportretten van Vincent van Gogh, zijn zonnebloemen, of het Melkmeisje en Meisje met de parel van Johannes Vermeer, de Nachtwacht van Rembrandt en de gekleurde vlakken van Piet Mondriaan wel eens zijn tegengekomen.

Ik noem mezelf absoluut geen kunstkenner, wel een liefhebber. De Museumkaart is daar debet aan. Voor een vast bedrag per jaar heb je toegang tot heel veel musea in Nederland, al moet je voor een bijzondere tentoonstelling soms een kleine bijdrage betalen.

Tot voor mijn pensionering moest ik elk uitje, dus ook naar een museum plannen. Het kwam vaak neer op de zaterdag, of soms op een extra vrije dag (compensatie) doordeweeks.

Westergasfabriek
Nu gaat het veel gemakkelijker. Zie ik ineens in de krant een recensie of een advertentie van een tentoonstelling en dan denk ik: die wil ik wel zien. Zoals vanochtend na het lezen van het verhaal in dagblad Trouw over Fabrique des Lumières, gehuisvest in de monumentale negentiende-eeuwse Westergasfabrfiek Amsterdam.

Bekende schilderijen nu eens op een andere manier te zien uitgelicht, lijkt me wel geinig. Nou, dat woord verdwijnt binnen een paar minuten na binnenkomst gelijk naar de prullenbak.

De schilderijen lijken uiteen gesneden. Geen statische beelden meer, maar bewegingen, zoals in het winterlandschap van Hendrick Avercamp. En enkele schutters uit de Nachtwacht van Rembrandt worden stuk voor stuk getoond. Ze komen zo als persoon tot hun recht. En op een ander – levensgroot – schilderij draaien de wieken van een molen.

Meisje met de parel
Van het Meisje met de parel van Vermeer zie je eerst de voor- en rechterkant van haar gezicht. Pas na een paar tellen wordt de parel zichtbaar. Die krijgt op deze manier volgens meer mij meer ‘glans’ dan op het echte doek. En in het Straatje van Vermeer (eigenlijk Gezicht op Delft) , verschijnen de ander meisjes achter de ramen. En een oorlogstafereel op zee, zie je de kruitdampen voorbij komen.

Bij Mondriaan schieten – na het op nieuwe wijze tonen van zijn vroege werk – de gekleurde vlakken in alle richtingen over de muren van de Westergasfabriek. Ja, muren, want de beelden worden rondom vertoond. Waar je ook zit in het gebouw, je ziet ze overal.

En vergeet de vloer niet. Wie op de grond ziet, kan zich in het schilderij wanen. Zo wordt een schilderij met een oorlogstafereel aangevuld met hoge zeegolven op de vloer. Bijna om echt zeeziek van te worden. En het werk van een kerk wordt ‘aangevuld’ met projecties van grote vloertegels zoals je die in oude kerken tegenkomt. Ook leuk voor de aanwezige kinderen die echt niet 50 minuten of langer stil kunnen zitten bij pa en ma. Ze springen van tegel naar tegen.

Bij een ander werk, schieten de bloemen om je heen. De schilderijen komen ze meer dan tot leven. Dat is misschien nog wel de beste omschrijving. Onderdompelen in deze voorstellingen, of immersive projection.

De twee tentoonstellingen (die met de Hollandse meesters duurt 34 minuten, die van Mondriaan 14, in Cineacformule) worden rijk gelardeerd met mooie muziek. Klassiek waar het nodig is, modern waar het kan.

Muziek
En de muziek lijkt van alle kanten te komen. Geen Atmos Dolbi surround zoals in de moderne bioscopen, maar wel zeer goed ondersteunend aan de beelden. Sterker nog, de vertolkingen van de pianostukken van Sibelius, muziek van Händel, het Benedictus van Karl Jenkins en Glassworks van Philip Glass.

De organisatie houdt er rekening mee dat bezoekers ook wel even willen zien hoe de echte getoonde schilderijen van Mondriaan, Vermeer, Van Gogh en Rembrandt er uit zien. Die worden geprojecteerd in een bijzaal van het gebouw. Een waardevolle aanvulling.

Je merkt het, ik ben razend positief. Zo positief dat ik later dit jaar zeker nog een keer ga en me opnieuw onderdompelen in beide aaneengesloten tentoonstellingen.
Voor wie ook gaat: een toegangskaartje kost 17 euro voor volwassenen. Tijdslot is verplicht.

Is er dan niets negatiefs op te merken? Nou, deze dan. Onder de bezoekers bevinden zich in mijn nabijheid enkele dames die elkaar kennelijk maaaaanden niet hebben gezien. Ze praten honderduit. En enkele heren die met stemverheffing boven de muziek proberen uit te komen om een ander uit te leggen welk schilderij wordt getoond.

Daar tegenover staat dat het mooi is om te zien hoeveel kinderen (niet de kleuters) en tieners zich net als ik ademloos vergapen aan de projecties. Wellicht gaan zij de echte schilderijen eens ontdekken in de verschillende musea in ons land.

Hieronder nog twee filmpjes. Een over het deel Mondriaan, de ander over de Hollandse meesters. Foto’s zeggen bij dit verhaal veel minder dan de filmpjes kunnen vertellen.

Humor in de Romeinse oudheid: ,,Ik ga nog failliet aan dat verdomde beest!’’

Rare jongens die Romeinen, volgens Asterix en Obelix, maar je kon wel met ze lachen. De tentoonstelling ‘Romeinse villa’s in Limburg in het Rijksmuseum van Oudheden bewijst het.

Het museum in Leiden herbergt tal van schatten uit, zoals de naam al doet vermoeden, oudheid. Romeinse en Griekse tijd natuurlijk, maar ook aandacht voor Egypte en Nederland zelf komen rijkelijk aan bod.

Sinds 25 april staat het Romeinse leven in Limburg centraal. En dan vooral de villa’s, of kleine (leger) gemeenschappen. De villa’s waren enorme akkerbouwbedrijven die de hele regio voorzagen van graan, vooral spelt. De löss in de Limburgse grond, was er perfect voor.

Badhuis
Met de opbrengst van de verkopen verfraaiden de eigenaren hun boerenhuis tot complete landhuizen in Mediterrane stijl, met een badhuis en Romeinse uitvindingen als glazen ramen en vloerverwarming. 

Te zien en te leren hier in Leiden is hoe de oorspronkelijke bewoners van Limburg handel dreven met het leger en hun woonvormen kopieerden.

Van de villa’s (hoofdgebouw met rijke versieringen en werkplaatsen en dergelijke is weinig meer over in Limburg. Na het vertrek van het Romeinse leger, raakte de nep-Romeinse leefstijl letterlijk in verval. Als er nog iets te vinden is van de overblijfselen van de gebouwen, zitten die diep in de grond.

Toch zijn er genoeg aandenken aan die tijd bewaard gebleven, zoals serviesgoed, verschillende soorten aardewerk en glas, Delen van zuilen en gedenkstenen.

Het Rijksmuseum van Oudheden heeft zelf een flinke verzameling, maar er zijn voor deze tentoonstelling ook voorwerpen overgebracht uit andere musea, zoals het museum Parco Archeologica di Paestum e Velia in het Italiaanse Paestum.
Mooi getoond met een duidelijke uitleg. Het Rijksmuseum van Oudheden laat zich weer van zijn beste kant zien.

Overnachting
Interessant dus, met ook nog wat te lachen. Zoals die fraaie grap op een steen die het Louvre in Parijs voor de tentoonstelling heeft uitgeleend, over het opmaken van de rekening voor een overnachting in een herberg en de het gesprek daarover tussen de herbergier en de klant.
Vertaling op het bord ernaast:

,,Laten we afrekenen: een karaf wijn en brood, één as.* Warme maaltijd twee as.’
,,In orde.
Het meisje vannacht, acht as.’’
,,Ook in orde.’’
,,Hooi voor de muilezel, twee as.’
,,Ik ga nog failliet aan dat verdomde beest!’’

*De as is een Romeinse munt.

Het bord (van kalksteen, met afbeeldingen van de herbergier, de klant en de muilezel) was het uithangbord van een mansion (rustplaats of herberg) langs de Via Popilia. Een weg van Capua ten noorden van Napels tot Rhegium, het huidige Reggio di Calabria, in de punt van de Laars van Italië.

Beter dan Koningsnacht in mijn voortuin

Net als afgelopen jaren Koningsnacht op de Markt in Gouda ontvlucht en mezelf verwend met een overnachting (inclusief diner) in buurstad Oudewater.

Hotel Broeck is prima logeerplek (met uitstekend ontbijt) en de pizza Voldaan, de tiramisu met een Goudse twist (foto hierboven) en de bijbehorende wijnen bij pizzeria Voldaan zijn niet te versmaden.  

Volgend jaar maar weer doen dus.

Is die verrekte non er nou weer?

Aardige tot redelijke muzikale voorstelling die een hommage aan Wim Sonneveld moet zijn. Bekend van het nog altijd te beluisteren lied Het Dorp. Alleen ben ik op het verkeerde been gezet, net als veel andere bezoekers van de voorstelling. De makers draaien halverwege 180 graden en zetten de nostalgie af tegen de huidige tijd. Daar kwam ik in elk geval niet voor. Geen avondje zwelgen in het werk van Sonneveld.

Wim Sonneveld (1917 – 1974) heeft tal van liedjes en conference gebracht die zeker de oudere generatie (daar reken ik mezelf inmiddels ook toe) nog altijd bekend in de oren klinken. Het lied Het Dorp (naar de oorspronkelijk Franse chanson La Montagne), Margootje, Poen (wat je allemaal met geld kan doen), Zeg maar ja tegen het leven (anders zegt er het leven nog nee), Aan de Amsterdamse grachten (dat kent iedereen wel), Nikkelen Nelis, Moeder ik wil bij de revue en De kat van ome Willem (is op reis geweest…. Uit Ja zuster, nee zuster).

En conferences als Kroketten, Man aan het loket en Frater Venatius (is die verrekte non er nou weer…), De gulle lach, de Stalmeester en nog meer uit bijvoorbeeld de voorstellingen als Haal het doek maar op.

Het Dorp
Sonneveld stond tijdens zijn leven bekend als ‘een van de grote drie’,  samen met Wim Kan en Toon Hermans. Dus vol verwachting naar de Goudse Schouwburg vanavond voor Het Wim Sonneveld complex.

De aankondiging was wervend genoeg. Theatermakers Tarik Moree en Tim Olivier Somer vertolken beiden de cabaretier. Er klinken in de uitverkochte kleine zaal Margootje, Moeder ik wil bij de revue, De kat van ome Willem en nog wat – ingekorte – nummers van Sonneveld.  

Gaandeweg ontstaat er wrijving tussen de twee en komen heden en verleden op gespannen voet met elkaar. Als Moree aan Het dorp begint, valt Somer hem in de rede. De nostalgie aan een dorp alsof toen alles beter was… Dat kan toch niet meer in deze onzekere tijden. Het couplet zou moeten luiden: “Het raadhuis is van bol.com, die dorpen groeien langzaam krom, alleen nog stikstofboerderijen”…

Kietelen
En de rest van de anderhalf uur durende voorstelling gaat vooral over vragen waarmee de twee het publiek tot nadenken willen aanzetten over de huidige tijd met alle onzekerheden, dreigingen van oorlog, het milieu enzovoorts. Het publiek ‘kietelen met nieuwe gedachten’, noemen ze dat.

Het zal wel, maar ik kom vooral voor de nostalgie. En slechts één – ook ingedikte – conference Frater Venantius (het verhaal over de non die jenever in een kopje wil (,,is die verrekte non er nou weer?’’) is ook wel heel erg mager.

De voorstelling zit redelijk (positiever kan ik het niet maken) in elkaar, alleen had de opzet misschien beter gecommuniceerd moeten worden voor het publiek. In elk geval voor mij. Eenmaal thuis op Spotify maar een paar conferences van Wim Sonneveld opgezocht en daarvan genoten.